In een oud huisje wat vroeger in Venhuizen (vlakbij Bovenkarspel in West-Friesland) stond, kon ik een praatje maken met een ‘bewoonster’ die het huisje weer tot leven bracht. Het is nu een museum-huisje en in vakanties zijn er in veel huisjes vrijwilligers die de bezoekers van alles vertellen over hoe het leven vroeger was. In dit huisje woonde vroeger een echtpaar waarvan de man arbeider was en de vrouw mutsenplooister. En met zo’n beroep wilde de huisvrouw natuurlijk zelf ook haar eigen linnengoed piekfijn in orde hebben. Dat was te zien in de linnenkast, waarvan de deuren openstonden. Vroeger gingen die deuren open als er bezoek was, en als je dan het goed niet netjes op een stapeltje had, dan ‘ging je over de tong’. Dan werd er over je geroddeld.
Ik kon in een praatje vertellen dat ik een week eerder in een openluchtmuseum in Twente was, en daar te horen kreeg dat dienstmeiden bij het aangaan van een dienstverband een stukje land kregen waarop ze zelf vlas mochten laten groeien, om zo linnen voor hun uitzet te spinnen. Daar was in deze veel armere streek geen sprake van! Maar de gewoonte om heel zuinig te zijn met het kostbare linnen was wel hetzelfde. De zuinigheid ging zelfs zo ver dat het mooie goed helemaal niet gebruikt werd. Als de visite (of de pastoor) geweest was, en had kunnen zien dat de boel netjes op orde was, dan gingen de kastdeuren weer dicht. Voor eigen gebruik werd dan het veel oudere linnengoed gebruikt, wat in een mand naast de kast stond.
Zo kon het gebeuren dat er nu linnengoed te koop is (straks ook wat bij mij) wat vroeger nooit gebruikt is. Tientallen jaren was de huisvrouw er ‘groots’ en ‘zunig’ op, en bleef het te pronk in de kast liggen. “Dat vind ik ook wel sneu, zei ik tegen de ‘bewoonster’ dat ze voor zichzelf versleten goed gebruikten terwijl ze nog wel wat beters hadden liggen maar daar wilden ze niet aankomen. Als antwoord kreeg ik te horen dat het zo ook was gegaan bij haar eigen moeder, toen ze een paar jaar geleden haar huisje moest opruimen. In de kast lag nog nieuw goed, met zegeltjes bij elkaar gespaard, maar voor zichzelf gebruikte ze gestopte lakens en theedoeken met gaten.
Zulke gewoontes blijven dus heel lang doorwerken. Ik ga hier wel aan denken, als ik straks nog wat van dat mooie en niet-gebruikte linnengoed ga aanbieden. Het is dus juist overgebleven omdat ze er vroeger zo zuinig op waren.
Maar eerst een uitnodiging aan linnen-liefhebbers om bij mij thuis de dookrollen en ander linnengoed te zien (zie volgend blogje).







