In het vorige blogje waren afbeeldingen te zien van oude kaarten uit 1960, waarbij bij de dracht niet alleen de plaats en het jaartal was vermeld, maar ook of het door-de-weekse dracht was of ‘zondagsdracht’ of ‘kerkdracht’ of ‘feestdracht.’ Als laatste van deze serie een kaart van een vrouw uit Noord-Beveland, omstreeks 1920.
Hier staat bij vermeld dat het niet alleen feestdracht is maar zelfs ‘hoogtijdracht.’
Pasen was zeer zeker zo’n hoogtijdag, waarbij het allermooiste goed werd gedragen.
Hier komt ook de uitdrukking ‘op z’n paasbest’ vandaan. Tot ver in de 20e eeuw was het gebruikelijk om met pasen in het nieuw gestoken naar de kerk te gaan.
De term ‘paasbest’ is terug te voeren op het katholieke gebruik waarbij men in elk geval eens per jaar ter communie ging, en wel met Pasen. De paasmis en -communie was zelfs verplicht op straffe van het begaan van een doodzonde.
Niet zo fijn, zo’n dreiging, maar de vrouwen zagen er wèl heel mooi uit, en zeker met pasen!




